Onder de gebouwen van de Eerste Kamer voltrekt zich een operatie die zich grotendeels aan het oog onttrekt, maar die exemplarisch is voor de renovatie van het Binnenhof. Hier worden de bestaande kelder uitgediept en nieuwe kelders aangelegd. Daarvoor worden nieuwe vloeren ingepast tussen de oude funderingen, tijdelijke staalconstructies en recent versterkte funderingen. Het is een nauwkeurig werk, met wisselende faseringen en voortdurende herinterpretatie. Een monumentale werkplek waar technisch ontwerp en uitvoering elkaar voortdurend dwingen tot uiterste zorgvuldigheid.

Wie straks door de vernieuwde ruimten van de Eerste Kamer loopt, merkt er niets meer van. Stalen stempels en vijzels zijn dan al verdwenen, tijdelijke ontgravingen ingevuld, geïmproviseerde routes ontmanteld en funderingsherstel of -versterkingen onzichtbaar gemaakt. En zo vergaat het veel andere ingrepen die deel uitmaken van de enorme renovatie van het Binnenhofcomplex: uiteindelijk worden ze aan het oog onttrokken. In deze achtste aflevering over de renovatie staan we stil bij een delicate, maar zeer interessante operatie. Na de funderingsversterking onder de gebouwen van de Eerste Kamer (zie reportage in de januari-editie van dit jaar), is recentelijk gestart met het maken van nieuwe vloeren in de kelders van dit complexdeel. Daarbij is een betonexperiment met CO2-negatief toeslagmateriaal succesvol verlopen.

Op papier lijkt de opgave overzichtelijk: maak nieuwe keldervloeren onder de bestaande gebouwdelen, die ruimte bieden aan installaties, techniek én toekomstig gebruik. In de praktijk begint de complexiteit al bij het woord ‘bestaand’. Het complex van de Eerste Kamer is geen helder afleesbaar object, maar een stapeling van bouwfasen, aanhelingen, herstelcampagnes en lokale ingrepen uit verschillende eeuwen. Als ze al correct op tekening zijn aan te treffen, staan de oude muren niet altijd waar je ze in een rationeel schema zou wensen. Funderingen volgen hun eigen historische logica en onder de huidige vloer ligt ook nog het resultaat van recente versterkingsmaatregelen met speciale grouttechniek. Wie hier een nieuwe constructieve laag wil aanbrengen, werkt dus niet in, maar tussen de tijdlagen.
Een interessant werk dus voor ABT, dat de constructieve en geotechnische uitwerking van de gebouwen van de Eerste Kamer verzorgt. Constructeur Earnest Alderliesten formuleert het als volgt: “Je hebt hier te maken met bestaande funderingen, oude kelders en kademuren uit verschillende eeuwen. Daarbinnen moeten we – gecontroleerd en zonder schade aan de monumentale onderdelen – nieuwe constructies inpassen. In nieuwbouw liggen de paden van de krachtenafdrachten vooraf min of meer vast. Hier moeten zij telkens opnieuw vastgesteld, soms bevestigd en soms herzien worden. Scans, puntenwolken en destructief onderzoek brengen veel aan het licht, maar pas wanneer vloeren openliggen en grond wordt weggehaald, toont het gebouw zijn werkelijke anatomie.” En die anatomie is weerbarstiger, rijker en grilliger dan elk model op voorhand kan bevatten.

Van het simpelweg ontgraven en vloeren storten is hier geen sprake. Stalen frames, verdeelbalken, horizontale stempelingen en hulpconstructies op schroefinjectiepalen met hydraulische vijzels om bestaande kolommen op te vangen vormen samen een tijdelijk skelet dat het gebouw intact laat terwijl eronder wordt gewerkt. Bouwplaatsmanager Wilco van Bethlehem van Heijmans spreekt daarover met de kalmte van iemand die weet dat onrust in dit werk weinig toevoegt. “Naast de eindsituatie is juist ook de tijdelijke situatie uitdagend”, zegt hij. “Je moet ruimte maken om die vloer te kunnen maken, maar intussen moet alles wel veilig blijven staan.” Juist in die tussentoestand wordt de kwaliteit van ontwerp en uitvoering zichtbaar. Daar moet elk element kloppen: volgorde, maatvoering, reactiekracht, monitoring en timing.
Een veelzeggend moment in de uitvoering ontstond toen tijdens het verdiepen van een kelderdeel bleek dat een eerder aangebrachte jetgroutwand lokaal niet zo functioneerde als werd verwacht. Gekozen werd voor aanvullend ontgraven in kleine vakken, nieuwe analyse en lokale herstelmaatregelen.

In dit ondergronds archief is een afwijking niet een uitzondering, maar een constante. Dat maakt samenwerking tussen adviseur en uitvoering doorslaggevend. ABT en Heijmans zitten in deze fase dicht op elkaar. Niet uit organisatorische efficiëntie, maar uit technische noodzaak. Zodra in het werk iets anders blijkt dan voorzien, moet de constructeur terug naar de rekentafel en moet de aannemer weten welke speelruimte er nog is in de fasering. “Dan moeten we even terug en bedenken: hoe gaan we dit oplossen?”, zegt Van Bethlehem. Monitoring hoort daar vanzelfsprekend bij. Verplaatsingen en vervormingen worden met Total Stations gevolgd om te toetsen of het gedrag van de constructie overeenkomt met de berekeningen en gekozen bouwfase. Begin mei vond de eerste betonstort voor de nieuwe vloeren plaats. Volgens Alderliesten wordt hiermee een nieuwe laag toegevoegd aan de geschiedenis van het complex. “De vloer is hier geen afwerking van de kelder, maar de nieuwe schakel tussen erfgoed en toekomstig gebruik.”

Parallel aan de complexe kelderoperatie liep een proef met CO2-neutraal beton. Heijmans stortte in de kelder van de Eerste Kamer enkele bekistingsbakken met een mengsel op basis van hoogovencement en Clim@Add, een koolstofadditief van CarStorCon Technologies dat de CO2-belasting van beton sterk kan verlagen. Vooral de erg lange leiding aan de elektrische aanhangerpomp van zo’n 110 meter lang was een kritiek onderdeel. Volgens Van Bethlehem is de stap van laboratoriumbelofte naar bouwpraktijk overtuigend gezet. “Het mengsel van de laatste proefstort was stabiel en voldeed aan alle eisen. Nu gaan we ook plinten en vloeren in dit deelproject uitvoeren met Clim@Add. Het liet zich goed verwerken, goed trillen en kwam strak uit de bekisting.” Dat is essentieel, want alternatieve mengsels stranden vaak op verwerkbaarheid.
Ook Vincent van der Plas, betontechnoloog bij betonleverancier Dyckerhoff Basal, ziet daarin de betekenis van de proef. “Er is hier niet aan één knop gedraaid, maar het hele recept is heroverwogen: met hoogovencement, secundaire grondstoffen en een gemodificeerd koolstofadditief binnen de geldende kwaliteitskaders.” Volgens Alderliesten laat de proef zien dat binnen de huidige normen al een groot verschil gemaakt kan worden voor wat betreft CO2-uitstoot. “Naast Clim@Add is 30% van het grind vervangen door hoogwaardig gerecycled betongranulaat van Urban Mine. In ‘De koers naar 2030’, de routekaart voor de CO2-reductiedoelstellingen van het Betonakkoord, zijn plafond- en koploperwaarden vastgesteld voor de maximale uitstoot van betonmengsels. Het toegepaste betonmengsel komt uit op circa 79 kilogram CO2-equivalent per kubieke meter. Daarmee voldoet het ruimschoots aan de koploperwaarden die het Betonakkoord voor 2027 en de jaren daarna voorschrijft. Tegelijkertijd voldoet het beton volledig aan de huidige wet- en regelgeving.”

Daarmee is het Binnenhof een mooie praktijkproef voor duurzamer beton onder veeleisende omstandigheden. Beton met Clim@Add zal ook toegepast worden voor de vloeren in de Raad van State. De keuze voor dit beton is tot stand gekomen dankzij de nauwe samenwerking tussen RVB, Heijmans en ABT. Alderliesten tot besluit: “Ook het RVB heeft hierin zijn nek uitgestoken om een voorbeeld neer te zetten met koploperbeton. Als overheid is het belangrijk dat daar het voortouw in genomen wordt.” Voor het RVB past deze stap naadloos binnen de ambitie om monumentale rijksgebouwen toekomstbestendig, verantwoord en met zo laag mogelijke milieu-impact te vernieuwen. Wat onder de Eerste Kamer is beproefd, zou daarmee wel eens breder richtinggevend kunnen blijken voor de betonpraktijk in complexe renovatieprojecten.
