Platform on concrete and steel in construction
Beton & staalin juridisch perspectief
Joost Haest, Severijn Hulshof Advocaten.

Concrete & steelin legal perspective

Na Covid, het uitbreken van de oorlog in Oekraïne en de instabiele geopolitieke verhoudingen in de wereld houden stijgende staalprijzen de (juridische) gemoederen nog regelmatig bezig. In een zeer recente uitspraak van 28 oktober 2025 heeft het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2025:3021) een zeer interessante uitspraak gedaan ten aanzien van de vraag of substantieel gestegen staalprijzen wel of niet mogen worden doorbelast, in het geval er sprake is van een contractueel overeengekomen ‘prijsvastbeding’. Het Hof is, in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank in eerste aanleg bepaalde, van oordeel dat de aannemer de zeer sterk gestegen staalprijzen aan de opdrachtgever mag doorbelasten vanaf het moment dat de aannemer gewaarschuwd heeft voor de noodzaak van een prijsverhoging.

Partijen hebben een aannemingsovereenkomst gesloten voor een staalconstructie als onderdeel van een chocoladefabriek, voor een aanneemsom van € 2,85 miljoen. Op de overeenkomst zijn de Metaalunievoorwaarden van toepassing. De overeenkomst bevat een met de hand bijgeschreven prijsvastbeding die luidt: ‘De opdracht is prijsvast tot einde werk. Start bouw mei 2021’.

Na het sluiten van de overeenkomst is er een aantal grote stijgingen van kostprijsbepalende factoren opgetreden. De prijzen van balkstaal, plaatstaal en kokers zijn enorm gestegen, net als de wandplaten en dakplaten. Daarnaast kreeg de aannemer te maken met grondstofprijsstijgingen, het sterk duurder worden van de conservering van het staal, sterk oplopende prijzen van bevestigingsmiddelen en duurder wordende materieelprijzen. De kosten die de aannemer vordert, bedragen meer dan € 900.000,-.

De aannemer doet allereerst een beroep op artikel 7 uit de Metaalunievoorwaarden. Daarin staat dat een opdrachtnemer een stijging van kostprijsbepalende factoren, die is opgetreden na het sluiten van de overeenkomst, aan de opdrachtgever mag doorberekenen. Het Hof is van oordeel dat de partijen met het overeenkomen van het prijsvastbeding in de overeenkomst de toepasselijkheid van artikel 7 van de Metaalunievoorwaarden hebben uitgesloten. Van belang acht het Hof met name dat op basis van de stukken is komen vast te staan dat de met de hand bijgeschreven bepaling waarmee een vaste prijs is overeengekomen voor de opdrachtgever van groot belang was. Dat belang blijkt ook uit de correspondentie. Aan de clausule ‘start bouw mei 2021’ kan volgens het Hof in het kader van artikel 7 van de Metaalunievoorwaarden niet de betekenis worden toegekend dat die vergaande bevoegdheid uit dit artikel zou herleven in het geval de beoogde startdatum niet zou worden gehaald. Het beroep op artikel 7 van de Metaalunievoorwaarden faalt in dit geval dan ook.

Subsidiair doet de aannemer een beroep op artikel 7:753 van het Burgerlijk Wetboek. Deze bepaling geeft de rechter de mogelijkheid om de prijs aan te passen in geval van kostenverhogende omstandigheden, die (i) na het sluiten van de overeenkomst ontstaan of aan het licht komen en die (ii) niet aan de aannemer kunnen worden toegerekend en (iii) waarmee de aannemer geen rekening had behoeven te houden bij het bepalen van de prijs waarbij (iv) voldaan is aan de waarschuwingsplicht van de aannemer. Het Hof stelt vast dat partijen een beroep op artikel 7:53 BW niet uitdrukkelijk hebben uitgesloten. En door de clausulering dat de start van de bouw zou aanvangen in mei 2021 mocht de opdrachtgever in redelijkheid sowieso niet verwachten dat de prijs bij een niet tijdige start in alle gevallen gelijk zou blijven. 

Het Hof oordeelt vervolgens dat de aannemer rekening diende te houden met enige mate van prijsschommelingen, maar de aannemer behoefde geen rekening te houden met een prijsstijging die 50% groter was dan de schommelingen in de jaren daarvoor. De extreme prijsstijgingen deden zich volgens de aannemer al voor vanaf januari 2021, maar omdat de aannemer pas op 19 mei 2021 expliciet voldeed aan de op haar rustende waarschuwingsplicht oordeelt het Hof dat de aannemer (alleen) de prijsstijgingen vanaf 19 mei 2021 vergoed krijgt. Tot slot oordeelt het Hof dat de aannemer een nadere berekening moet maken van de gestelde schade, waarop de opdrachtgever dan mag reageren. Maar vast staat in ieder geval dat de aannemer met dit arrest een hele belangrijke slag heeft binnengehaald.   

Gerelateerde artikelen

"*" indicates required fields

This field is for validation purposes and should be left unchanged.

Send us a message

Wij gebruiken cookies. Daarmee analyseren we het gebruik van de website en verbeteren we het gebruiksgemak.

Details

Kunnen we je helpen met zoeken?

Bekijk alle resultaten